Actualiteit in de (kleuter)onderwijswereld

1,3 miljoen euro extra voor vorming over leerzorg

Persmededeling Kabinet Vlaams minister van Onderwijs en Vorming
11 april 2008

Om leraren en CLB-medewerkers goed voor te bereiden op het nieuwe leerzorgkader voor kinderen met een handicap trekt minister van Onderwijs Vandenbroucke 1,3 miljoen euro extra uit. Deze middelen gaan naar de voortgezette lerarenopleidingen (VOBO-VOZO) en naar projecten op voorstel van de Vlaamse Onderwijsraad (VlOR) om leraren en CLB-medewerkers met het concept leerzorg te leren werken. Dit maakte Frank Vandenbroucke bekend tijdens een werkbezoek aan de school voor buitengewoon onderwijs Ter Bank en de Katholieke Hogeschool Leuven: twee scholen die treffend aantonen wat leerzorg in het buitengewoon en gewoon onderwijs kan betekenen.

Minister Vandenbroucke wil het nieuwe systeem van leerzorg vanaf 1 september 2009 geleidelijk invoeren. Dat is een nieuwe visie op onderwijs voor kinderen met een handicap. Daarbij wil de minister afstappen van de klassieke scheiding tussen gewoon en buitengewoon onderwijs. Het volstaat niet langer om naar de aard van de stoornis van het kind te kijken, er is ook meer aandacht nodig voor de mate waarin het kind extra zorg nodig heeft. In het leerzorgkader staan clusters, doelgroepen en leerzorgniveaus centraal.

De clusters en doelgroepen hebben te maken met de kenmerken van de leerlingen. Ze hergroeperen de acht types buitengewoon onderwijs die er nu bestaan.

  •  cluster 1: geen beperkingen. Dit gaat om de grote groep leerlingen zonder noemenswaardige problemen in het onderwijs én om leerlingen met serieuzere problemen op school, maar die niets te maken hebben met een stoornis of beperking.
  • cluster 2: beperkingen bij het leren. Dit cluster omvat leerlingen met ernstige leerstoornissen (bv. dyslexie) en leerlingen met een licht verstandelijke handicap.
  • cluster 3: functiebeperkingen. Dit gaat om kinderen met een verstandelijke handicap of kinderen die bv. doof of blind zijn.
  • cluster 4: beperkingen in sociale interactie. Dit gaat om kinderen met gedrags- en emotionele problemen, ADHD en autisme. Autisme krijgt zo voor het eerst een duidelijke plaats in het geheel.

Het leerzorgniveau zegt iets over de aanpassingen die nodig zijn om het kind te helpen (aangepast lessenpakket, speciale handboeken, zeer specifieke verzorging, …). Hoe hoger het niveau, hoe meer aanpassingen nodig zijn. Naargelang het zorgniveau verschilt de aanpak in de klas, de ondersteuning voor de leraren, het soort diploma of certificaat dat de leerling behaalt en de beschikbare middelen. Het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) selecteert het meest geschikte zorgniveau voor elk kind, in samenspraak met de school, de ouders en de leerling zelf.
De eerste twee zorgniveaus zijn bedoeld voor gewone scholen, het vierde niveau wordt alleen door scholen voor buitengewoon onderwijs aangeboden. Bij het derde niveau kunnen leerlingen zowel in het buitengewoon als in het gewoon onderwijs terecht. In principe krijgen scholen van het gewoon onderwijs in dat geval dezelfde ondersteuning als scholen in het buitengewoon onderwijs. Het vijfde niveau van leerzorg is voor kinderen die tijdelijk niet naar school gaan. Dat kunnen bv. kinderen zijn met een ernstig medisch probleem die onderwijs aan huis krijgen of les krijgen in een school voor zieke kinderen.

Tijdens de hele voorbereidingsperiode overlegde minister Vandenbroucke met het brede onderwijsveld. Ook nu nog, na de eerste goedkeuring van de conceptnota Leerzorg door de Vlaamse Regering is er open overleg en zijn er werkgroepen aan de slag om een aantal aspecten van leerzorg verder uit te diepen.
Tijdens het werkbezoek dat de minister vandaag aflegt, bezoekt hij de basisschool en de secundaire school voor buitengewoon onderwijs Ter Bank. Deze school wil in samenwerking met andere partners een Centrum voor Leerzorg uitbouwen. Het uitgangspunt is vernieuwend en toekomstgericht: zij zien het buitengewoon onderwijs niet alleen als een plaats waar onderwijs aangeboden wordt, maar ook als een vorm van dienstverlening naar andere scholen, ouders en organisaties. Het project onderzoekt hoe dit centrum binnen de regio Leuven over de scholen heen vorm kan krijgen. Deze benadering sluit goed aan bij het leerzorgkader dat onderwijs van hoge kwaliteit op maat van elk kind sterk beklemtoont. Minister Vandenbroucke is bijzonder blij met dit initiatief dat hij als een pilootproject voor Vlaanderen beschouwt.

De Katholieke Hogeschool Leuven stelt de minister de begeleidingsprojecten voor van studenten uit de bachelor-na-bacheloropleiding Buitengewoon Onderwijs (VOBO). Deze studenten begeleiden kinderen met een handicap en leren zo in de praktijk omgaan met inclusie en leerzorg. Voor minister Vandenbroucke zijn deze waardevolle initiatieven een voorbeeld van hoe goed buitengewoon onderwijs en kwaliteitsvol inclusief onderwijs (= kinderen met een beperking die in het gewoon onderwijs school lopen) kunnen samengaan.

Meer informatie over leerzorg vindt u op www.vandenbroucke.com

Leestip: Wim Van Rompu, Theo Mardulier, Christine De Coninck, Luc Van Beeumen, Els Exter, Leerzorg in het onderwijs, Garant, 2007

Bron: http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2008p/0411-leerzorg.htm

Beelden uit de kleuterklas

Persmededeling Klasse
11 april 2008

Klasse pakt uit met een sterk concept om ouders een inkijk te geven in de kleuterschool 2008: drie online filmpjes van tien minuten met live beelden uit de kleuterklas. In elk filmpje kijkt opvoedingsspecialist Peter Adriaenssens met de camera mee naar wat er in de klas gebeurt. Hij toont letterlijk aan dat de tijd van de bewaarschool al ver achter ons ligt. De kleuteronderwijzer van vandaag is immers een deskundige opvoeder die de kinderen voorbereidt op een goede start in het lager onderwijs én in het leven.

De filmpjes zijn bedoeld om ouders te overtuigen hun kinderen (regelmatig) naar de kleuterschool te sturen. Tegelijk zijn ze een ode aan het vaak verborgen werk van de kleuterjuf. Ze worden gebruikt in scholen, oudercomités, welzijnswerk, schoolopbouwwerk, basiseducatie, lerarenopleiding enz. En ook de kleuterjuffen zijn enthousiast.

Het eerste filmpje uit de reeks (“Een vlieg in de kleuterklas”) werd op enkele weken tijd al meer dan 15 000 keer bekeken en honderden malen gedownload om te gebruiken voor ouders, leraren, welzijnswerkers en studenten. Ook op het speciale YouTube kanaal zijn ze een succes. Nu komen de twee andere filmpjes uit het drieluik online: “De geheimen van de kleuterjuf” en “In de rugzak van de kleuter”.

De camera van TV.Klasse volgt nauwgezet een dag in de kleuterklas. Peter Adriaenssens kijkt mee op de monitor. Al snel wordt duidelijk dat niet alles is wat het lijkt. Britney, Ilke, Tulin, Valerie en Milan stempelen enthousiast zilveren sterren op een groot blad.

Maar wie denkt dat ze dat enkel en alleen doen omdat ze zo graag met verf knoeien, heeft het mis. “Op deze manier oefenen de kleuters immers hun grove motoriek,” legt Peter Adriaenssens uit. “Dat is noodzakelijk om de fijne motoriek te ontwikkelen die ze nodig hebben om te leren schrijven. Bovendien leren de kleuters ook samen te werken door op één groot blad te stempelen. Ze merken dat er anderen zijn op deze wereld, met eigen voorkeuren en wensen.”

En zo zit achter elk op het eerste gezicht simpel spel een weloverwogen keuze van de juf die de ontwikkeling van het kind bevordert. “Uit onderzoek blijkt dat de hersenen van jonge kinderen zeer veel prikkels nodig hebben,” vertelt Peter Adriaenssens, “en dat kan je thuis eigenlijk niet bieden. In de kleuterklas kan een kind snipperen, lopen, praten met anderen, lachen, spelen en ook ruzie maken. Het jonge kind krijgt een bombardement van prikkels waar de hersenen op kicken en die hun ontwikkeling stimuleren.”

Door deze en andere geheimen van de kleuterjuf op begrijpbare wijze te ontrafelen geeft Peter Adriaenssens aan ouders een blik achter de schermen van de kleuterklas, en aan kleuterleid(st)ers de aandacht en waardering die ze verdienen. In de reeks zien we hoe juf Patricia aan de kleuters structuur biedt, de ontwikkeling stimuleert, de zindelijkheid traint, verantwoordelijkheid geeft, de motoriek bevordert, de sociale ontwikkeling stimuleert, de aandacht blijvend vangt, en de maatschappij in de klas brengt.

De filmpjes gaan in première op de vormingsdagen voor kleuteronderwijzers die nu in de verschillende provincies worden georganiseerd ter gelegenheid van “Het jaar van de kleuter”. De reacties zijn overal enthousiast.

Je kan meekijken op:

Klasse voor ouders

www.youtube.com/tvklasse

Bron: http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2008p/0411-kleuterklas.htm


Niet alle leraren kennen eindtermen voldoende

Ruim één op de vijf onderwijzers, één op de negen kleuteronderwijzers en één op de zes directeurs basisonderwijs zeggen dat ze de eindtermen en ontwikkelingsdoelen (ODET) niet goed of onvoldoende kennen. Vooral in het lager onderwijs beroepen leraren zich meer op schoolboek en leerplan. Toch zijn alle leraren basisonderwijs vrij tevreden over de ontwikkelingsdoelen en eindtermen: ze zijn duidelijk, meestal haalbaar en realistisch, en vrij makkelijk te evalueren. Een volledige herziening ervan vinden ze zeker niet nodig. Voor de eindtermen taalbeschouwing (Nederlands), technologie en muzische vorming vragen ze wel aanpassingen. Dat blijkt uit een onderzoek bij meer dan 2 300 leraren en directeurs uit 222 gewone basisscholen.

Op basis van de doorlichtingen, peilingen en wetenschappelijk onderzoek worden momenteel de eindtermen taalbeschouwing (Nederlands) en technologie herzien. Daarnaast laat onderwijsminister Vandenbroucke ook de samenhang tussen de eindtermen Frans in het basis- en secundair onderwijs bekijken. Dat moet ervoor zorgen dat nog meer kinderen op het einde van het zesde leerjaar goed voorbereid de overstap maken naar de secundaire school.

Bron: http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2008/0409-Schooldirect.htm en http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2008/0409-lerarendirect.htm

 



Leraren basisonderwijs tevreden over eindtermen en ontwikkelingsdoelen

Persmededeling Kabinet Vlaams minister van Onderwijs en Vorming
21 maart 2008

Leraren basisonderwijs vinden de eindtermen en ontwikkelingsdoelen duidelijk, haalbaar, realistisch en vrij gemakkelijk om te evalueren. Een volledige herziening van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen vinden ze zeker niet nodig. Vooral voor de eindtermen taalbeschouwing (Nederlands), technologie en muzische vorming vragen de leraren wel aanpassingen. Dat blijkt uit een wetenschappelijk onderzoek in opdracht van minister Frank Vandenbroucke bij meer dan 2300 leraren en directies uit 222 scholen van het gewoon basisonderwijs. Via een uitgebreide internetbevraging werd gepeild naar het gebruik en de waardering van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen in het kleuter- en lager onderwijs.

De eindtermen en ontwikkelingsdoelen werden tien jaar geleden door het Vlaams Parlement goedgekeurd. Tijd dus om na te gaan of deze minimumdoelen voor het onderwijs effectief gebruikt worden, of ze haalbaar zijn en of ze eventueel aan herziening toe zijn. Naast de schooldoorlichtingen van de onderwijsinspectie, laat minister Vandenbroucke jaarlijks twee peilingen afnemen die in kaart brengen in welke mate leerlingen de eindtermen bereiken. Dit nieuwe onderzoek vult het plaatje verder aan.

Als leraren gevraagd wordt of ze een goede kennis hebben van de eindtermen en ontwikkelingsdoelen, vindt een aanzienlijk aantal van zichzelf dat ze die niet goed kennen. Kleuteronderwijzers (68%) zijn er beter van op de hoogte dan leraren in het lager onderwijs (40%). Op het eerste zicht lijkt dit verwonderlijk, maar veel leraren realiseren de eindtermen eerder via de leerplannen waarin de eindtermen verwerkt zijn of via hun handboek dat op de eindtermen en leerplandoelstellingen gebaseerd is. Met de eindtermen zélf zijn ze soms minder vertrouwd.

In het verdere onderzoek kregen leraren afzonderlijke eindtermen of ontwikkelingsdoelen per leergebied voorgeschoteld. Hieruit blijkt dat leraren globaal tevreden zijn over de eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Er zijn er niet te veel, ze sluiten aan bij de interesses van de kinderen, ze zijn duidelijk geformuleerd en ze zijn haalbaar. Kleuteronderwijzers zijn iets meer tevreden dan hun collega’s van het basisonderwijs. Drie kwart van de kleuteronderwijzers grijpt dan ook naar de ontwikkelingsdoelen bij de voorbereiding van hun lessen en bij het uittekenen van hun zorgbeleid. Onderwijzers in het lager onderwijs (72%) baseren zich daarvoor meer op de schoolboeken en het leerplan. Zolang de inhoud van schoolboeken mooi aansluit op de eindtermen en ontwikkelingsdoelen is dat geen probleem. Daarom sloot minister Vandenbroucke eind vorig jaar een protocol met GEWU, een groep educatieve en wetenschappelijke uitgevers, om aandacht te vragen voor deze aansluiting.

Uit het onderzoek blijkt verder dat leraren in het basisonderwijs vinden dat attitudes zeker thuishoren in de eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Leraren nemen geen scherpe stellingen in m.b.t. het debat kennis en vaardigheden. Zij lijken dus te kiezen voor de synthese. Beide zijn belangrijk.

Op basis van de doorlichtingen, peilingen en ander wetenschappelijk onderzoek worden momenteel de eindtermen taalbeschouwing (Nederlands) en technologie herzien. Daarnaast laat minister Vandenbroucke ook de samenhang tussen de eindtermen Frans in het basis- en secundair onderwijs bekijken. Dat moet er voor zorgen dat nog meer kinderen op het einde van het zesde leerjaar goed voorbereid de overstap maken naar de secundaire school.

Uitgebreide resultaten van het onderzoek op de OBPWO-site

Het aprilnummer van het onderwijstijdschrift Klasse besteedt ruime aandacht aan dit onderzoek

 

Bron: http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2008p/0321-ODET.htm

 

 

Jaar van de Kleuter: stand van zaken op 11 februari 2008

 

Nota Kabinet Vlaams minister van Onderwijs en Vorming
11 februari 2008

Inleiding

De kleuterschool is al lang geen bewaarschool meer. Vandaag verwachten we dat de kleuterjuf de kinderen voorbereidt op een goede start in het lager onderwijs: door sociale vaardigheden bij te brengen, vertrouwdheid met de onderwijstaal, elementaire schoolse vaardigheden, … Tegelijk met de stijgende verwachtingen is de voorbije tien jaar fors geïnvesteerd in de kwaliteit van het kleuteronderwijs: door de omkadering uit te breiden, door de werkingsmiddelen op te trekken, door het loon van de kleuterleidsters te verhogen. Toch zijn nog niet alle ouders overtuigd van het belang van vroege en regelmatige aanwezigheid van hun kleuters op school. Hun kinderen dreigen zo aan het lager onderwijs te beginnen met een achterstand en dat is een handicap die ze vaak de rest van hun schoolloopbaan meeslepen. Bij de verkiezing van de Kleuterjuf van het Jaar, An Van Meerbeek, heeft onderwijsminister Frank Vandenbroucke 2007-2008 uitgeroepen tot het Jaar van de Kleuter. Met dit jaar wil hij een pluim geven voor het werk dat dagelijks gepresteerd wordt in de kleuterklassen. En hij wil onderstrepen hoe belangrijk het is dat ouders hun kinderen tijdig en regelmatig naar de kleuterklas sturen. Het Jaar van de Kleuter ging officieel van start met een regeringsmededeling en de lancering van http://www.jaarvandekleuter.be. Een verkorte versie van de mededeling liep trouwens de voorbije weken op de belangrijkste Vlaamse televisiezenders. Minister Vandenbroucke maakte bij de start van het schooljaar ook bekend dat 20 miljoen euro geïnvesteerd zou worden in een verdere versterking van het kleuteronderwijs. En dat er acties en samenwerkingen opgezet zouden worden om, vaak moeilijk bereikbare, ouders te overtuigen om hun kinderen naar de kleuterklas te sturen. In deze nota wordt een overzicht gegeven van de lopende acties en worden nieuwe acties voorgesteld.


Nieuwe acties

1. Gegevensuitwisseling van niet-ingeschreven kleuters

In Vlaanderen neemt een beperkte groep kinderen niet deel aan het kleuteronderwijs. Dat is jammer, temeer omdat ons kleuteronderwijs van een zeer hoog niveau is. Daarom maakt het beleidsdomein Onderwijs en Vorming vanaf dit jaar een vergelijking tussen het aantal inschrijvingen in de kleuterscholen en het rijksregister. Op die manier kunnen de kleuters die al naar school mogen, maar nog niet ingeschreven zijn, in kaart gebracht worden. Vervolgens worden de gegevens over niet-ingeschreven kleuters met Kind en Gezin uitgewisseld. De regionale verpleegkundigen zullen dan een huisbezoek kunnen brengen aan ouders van niet-ingeschreven kleuters of acties ondernemen bij deze ouders. Kind en Gezin houdt de administratie Onderwijs op de hoogte van die huisbezoeken en acties. Op basis van deze informatie gaan lokale overlegplatforms (LOP’s) en gemeenten (waar geen LOP is) rond de tafel zitten met diverse betrokkenen. Zij bekijken wat ze kunnen doen om de ouders te stimuleren. Volgens de privacywetgeving is voor deze werkwijze een decretale basis vereist. Een voorstel van decreet werd op 23 januari 2008 unaniem goedgekeurd in het Vlaams parlement en op 1 februari 2008 door de Vlaamse regering bekrachtigd. De toestemming van de privacycommissie voor gegevensuitwisseling is vorige week aangevraagd. Kind en Gezin start zijn huisbezoeken normaalgezien na de Paasvakantie op.

2. Het startersboek, de vertelkaart, de vlieg en de inleg kleuterparticipatie in Klasse

Het ‘Startersboek: naar de kleuterklas’ informeert ouders van instappende kleuters op een laagdrempelige manier over de nieuwe wereld van hun kind. Wat doet een kleuter in de klas en waarom, wie loopt er rond op school, hoe zit dat met inschrijvingen, kosten,…? Elke directie krijgt begin februari één exemplaar en kan gratis exemplaren bijbestellen om aan ouders uit te delen bij de inschrijving van hun kleuter. Bij het startersboek hoort ook een kleurrijke vertelkaart waarmee ouders met hun kind over de kleuterklas kunnen praten. Elke school ontvangt deze vertelkaart ook op A3-formaat om in de eerste kleuterklas over thuis te praten. Zo kan de brug tussen school en thuis op een speelse manier versterkt worden. Op http://www.klasse.be/ouders vind je ook een downloadbaar filmpje dat ouders één dag laat binnengluren in een kleuterklas. De beelden zijn van commentaar voorzien door de bekende kinderpsychiater Peter Adriaennssens. Niet te missen voor wie er van droomt om eens een vlieg in de kleuterklas te zijn. In het maartnummer van Klasse voor Leerkrachten vinden alle leerkrachten van het basisonderwijs een inleg over kleuterparticipatie. De inleg is een mix van interviews met ouders, leerkrachten, directie, … over de kleuterklas en korte stukjes over het beleid waarbij tijdig en regelmatig schoollopen centraal staan.

3. Startdag zorg+medewerkers en provinciale ontmoetingsdagen

Sinds het begin van dit schooljaar krijgt elke scholengemeenschap een aantal uren toegekend om een medewerker in te zetten voor zogenaamde “zorg+”taken. In totaal gaat het om 78 voltijdse jobs. Hiervoor is 2,665 miljoen uitgetrokken. De zorg+medewerker kan voor de scholengemeenschap het beleid rond kleuterparticipatie uittekenen, in samenwerking met de directies, kleuterjuffen, het lokaal overlegplatform (LOP), de regioverpleegkundigen van Kind en Gezin, … Zo zou een brugfiguur bv. ouders van ingeschreven kleuters die heel onregelmatig schoollopen, kunnen aanspreken en proberen de ouders te overtuigen kun kleuter vaker naar de kleuterklas te laten komen.
Om deze nieuwe medewerkers te ondersteunen in hun opdracht, organiseerde het Vlaams Ministerie van Onderwijs op 11 december 2007 een studiedag te Leuven. De “zorg+”-medewerkers maakten er kennis met voorbeelden van goede praktijken. Een panel van deskundigen plaatste deze getuigenissen in een breder kader, zodat ze inspireren tot acties in de eigen scholengemeenschap.
In april 2008 vinden 5 provinciale ontmoetingsdagen plaats. Het wordt een ontmoetingsmoment voor al wie bij het kleuteronderwijs betrokken is. Ook hier zullen medewerkers aan de hand van goede praktijkvoorbeelden veel inspiratie en ideeën kunnen opdoen.
4. Terugkomdag Kleuterleidsters van het Jaar
Eind vorig schooljaar riep het onderwijstijdschrift Klasse An Van Meerbeek uit tot Kleuterjuf van het Jaar. Minister Vandenbroucke benoemde haar prompt tot ambassadrice van het Jaar van de Kleuter en vroeg de 200 andere genomineerden om mee in de gaten te houden hoe het Jaar van de Kleuter zich ontwikkelt.
De 200 kleuterjuffen en –meesters worden onder meer op de hoogte gehouden via een persoonlijke nieuwsbrief. Op 11 juni 2008 blazen ze verzamelen in Brussel om samen de balans op te maken van het Jaar van de Kleuter: wat was goed, wat kon beter, welke inspirerende praktijkvoorbeelden waren er, wat kunnen we meenemen naar volgend jaar, …?


Lopende acties

1. Extra lestijden voor instappende kleuters

Oude regeling

Volgens het oude systeem kon een school pas extra lestijden aanvragen wanneer de betrokken kleuterschool voldoende extra kleuters had om theoretisch 11 lestijden te kunnen inrichten. Door het ingewikkelde berekeningssysteem voor lestijden kon dit in de praktijk één nieuwe kleuter zijn maar bijvoorbeeld ook meer dan veertig nieuwe kleuters. Indien scholen deze drempel al bereikten, was dit vaak pas laat op het schooljaar. Weinig scholen kregen na de toekenning van de eerste extra lestijden later op het schooljaar opnieuw voldoende bijkomende kleuters om nog eens additionele lestijden aan te vragen. Het vroegere grillige drempelsysteem was als het ware een loterij waar vooral grotere scholen bijkomende lotjes kregen voor een beperkt aantal ‘prijzen’ van 10 of meer lestijden.

Nieuwe regeling

Het nieuwe systeem is heel eenvoudig: voor elke bijkomende leerling t.o.v. de teldag voor het lestijdenpakket krijgt de school 0.8 lestijden. Bij 5 leerlingen is dit bijvoorbeeld 4 lestijden. Dank zij dit lineaire systeem krijgen meer scholen bijkomende lestijden, krijgen ze deze vlugger in het schooljaar en krijgen ze deze lestijden veel frequenter. Daarom is het budget voor instapklasjes voor dit schooljaar met 10 miljoen euro verhoogd. De scholen beslissen zelfstandig wat ze met de extra uren doen. Ze kunnen tijdens een deel van de week leerkrachten dubbel zetten of klasjes splitsen. Ze kunnen de extra uren toekennen aan kleuterjuffen van hun eigen scholengemeenschap die graag wat meer werken, of kunnen nieuwe kleuterjuffen aantrekken.

Vergelijking oud en nieuw

Voor de eerste drie instapdagen samen hebben 677 scholen in totaal 5496 lestijden voor de instapklassen gevraagd voor de nieuwe kleuters. Dit zijn 3463 lestijden meer dan vorig jaar of meer dan 144 voltijdse ambten. Als de extra uren LO meegerekend worden, gaat het in totaal over meer dan 157 voltijdse ambten extra. Hoewel de globale cijfers overtuigend zijn, beseft minister Vandenbroucke dat individuele scholen graag een nog forsere inspanning zouden zien. Een emmer in Brussel betekent nu eenmaal vele kleine druppels in de scholen. De minister volgt de toekenning van extra lestijden in elk geval op de voet, om zich ervan te verzekeren dat de voorziene middelen ook effectief volledig gebruikt worden.
Tabel 1: extra lestijden voor drie eerste instapdagen t.o.v. vorig schooljaar (balans 31/1/2008)
zie http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2008/0211-JvdK.htm


2. GOK+ lestijden voor scholen met minstens 40% GOK-leerlingen

Sommige scholen hebben veel kinderen uit gezinnen die ver afstaan van de schoolcultuur. De scholen moeten met deze kinderen dus grote hinderpalen overwinnen op de weg naar succes. Het kan gaan om kinderen uit gezinnen met een laag inkomen, een andere thuistaal… (zgn. GOK -leerlingen, waarvoor men GOK-uren krijgt). Deze scholen hebben dit jaar extra GOK-uren gekregen, waardoor er sinds 1 september 157 extra leerkrachten voltijds aan de slag zijn gegaan in een 400-tal scholen met veel kleuters uit sociaalcultureel zwakke milieus. Daarvoor is er 5,465 miljoen euro extra vrijgemaakt.

3. Praktische ontplooiing van de tweedelijnsondersteuning

Een belangrijk punt in het beleid rond kleuters is de ondersteuning van taal in de kleuterschool. Voor alle kleuters is taal van belang, maar zeker voor anderstalige kleuters. Daarom krijgen 400 scholen (dit zijn scholen in een gemeente met 25% GOK-leerlingen, op voorwaarde dat die gemeente in een LOP -gebied ligt) de kans om netoverschrijdend een tweedelijnsondersteuning voor kleuteronderwijzers uit te bouwen. Minister Vandenbroucke trekt hiervoor 1,7 miljoen euro uit. De kleuterjuffen en –meesters in deze scholen krijgen meer dan andere collega’s met niet-Nederlandstalige kleuters te maken en kunnen best wat ondersteuning gebruiken ivm anderstaligheid en taalvaardigheid Nederlands. De begeleiders geven de kleuteronderwijzers concrete tips en begeleiden hen om nog gerichter het taalgebruik van kleuters te stimuleren. Op die manier leren de kleuterjuffen en –meesters de meest geschikte onderwijskundige aanpak te kiezen. Dit ondersteuningsbeleid is vergelijkbaar met dat van de rand- en taalgrensgemeenten en de brede rand rond Brussel. De pedagogische begeleidingsdiensten zijn in november 2007 gestart met het werven van 25 begeleiders. Zij worden opgeleid voor deze specifieke taak. Sinds januari 2008 zijn ze gestart met de effectieve begeleiding.

4. Bijdrage van de Lokale Overlegplatforms (LOP) aan het Jaar van de Kleuter

De LOP’s zijn fora waar de onderwijspartners en niet-onderwijspartners uit een bepaald werkingsgebied, bijvoorbeeld een stad of gemeente, elkaar ontmoeten. De uitdagingen waar ze samen voor staan hebben allemaal betrekking op gelijke onderwijskansen. Recent werd kleuterparticipatie toegevoegd bij het lijstje van de decretale opdrachten van 41 LOP’s voor het basisonderwijs. De LOP’s proberen vooral een ruimer draagvlak te creëren bij het opzetten van acties m.b.t. kleuterparticipatie. Er worden verbindingen gezocht met andere aspecten in het benaderen van gelijke onderwijskansen zoals communicatie naar ouders en inschrijvingsbeleid …
Een stand van zaken: in welke mate kwam het thema al aan bod in de 41 LOP’s BaO:

·         In 29 LOP’s is een momenteel een speciale werkgroep actief rond de thematiek “kleuterparticipatie”. 9 andere LOP’s hebben geen werkgroep, maar hebben “kleuterparticipatie” wel al besproken op de algemene vergadering en/of het dagelijks bestuur. De 3 overige LOP’s waar het thema nog niet aan bod kwam, zijn LOP’s die op zeer korte termijn zullen afgeschaft worden.
 

·         Van de LOP’s die al werken rond kleuterparticipatie sensibiliseren 27 LOP’s om zo vroeg mogelijk in te stappen in het kleuteronderwijs. 28 LOP’s werken rond kleuters die al ingeschreven zijn en moedigen hen aan tot regelmatig schoollopen.

5. Preventief basisaanbod Kind & Gezin + schoolkieswijzer

Onder “nieuwe acties” is de samenwerking is toegelicht hoe een gegevensuitwisseling met Kind en Gezin opgestart wordt, die zal resulteren in huisbezoeken bij ouders van niet-ingeschreven kleuters. Kind en gezin heeft echter ook al verschillende acties lopen in het kader van het Jaar van de Kleuter. In consulten op de leeftijd van 15 en/of 24 maanden worden ouders geïnformeerd over het belang van het kleuteronderwijs en worden ze aangespoord stil te staan bij het kiezen van een kleuterschool. Daartoe is ook de schoolkieswijzer ontwikkeld, als ondersteunend materiaal voor de ouders. Deze is sinds oktober 2007 in gebruik. Verpleegkundigen kunnen ouders die het niet mogelijk zien dit alleen te doen, ondersteunen bij de toeleiding. Kind en Gezin stelt zich daarbij uiteraard neutraal op tegenover de verschillende schoolnetten. In het consult op 30 maanden staat Kind en Gezin vanuit zijn preventieve opdracht stil bij de voorbereiding naar de kleuterschool (stilstaan bij de ontwikkeling van peuter naar kleuter en hoe je als ouder daarmee omgaat). Dit is niet nieuw, nieuw is wel het ondersteunend materiaal voor de verpleegkundigen dat daartoe is ontwikkeld.

6. Wegwerken van financiële drempels

Sinds 1 september 2007 moet de kosteloosheid van de ontwikkelingsdoelen in het kleuteronderwijs strikt gerespecteerd worden. Alle scholen hebben hiertoe 45 euro extra per leerling bijgekregen. Vanaf 1 september 2008 komt er voor het kleuteronderwijs een scherpe maximumfactuur van 20 euro per jaar, voor die zaken waarvoor scholen aan ouders wel nog kosten mogen aanrekenen (zoals uitstappen). Voor meerdaagse uitstappen mogen dan geen kosten meer doorgerekend worden aan de ouders. Hiertegenover staan extra middelen die de scholen via de nieuwe financiering van het leerplichtonderwijs zullen ontvangen. Vanaf 1 september 2008 zal een kwart van de ouders (de lagere inkomens) een schooltoelage voor hun schoolgaande kleuter ontvangen op voorwaarde dat hun kind voldoende aanwezig is in de kleuterschool.

7. Globale balans extra omkadering kleuteronderwijs

In het Jaar van de Kleuter wordt de omkadering en ondersteuning van de kleuterklassen dus op verschillende manieren versterkt. Een aantal versterkingen is nu al op kruissnelheid, andere (de extra uren voor instappers) bouwen zich geleidelijk op in de loop van het schooljaar. Het aantal extra personeelsleden dat vandaag al aan de slag is, bestaat uit:
– kleuterjuffen en –meesters voor onderwijs en lichamelijke opvoeding voor instappers: 157 voltijdse eenheden
– kleuterjuffen en –meesters voor scholen met veel kansarme kleuters (GOK+): ook 157 extra voltijdse eenheden
– zorgcoördinatoren die in de scholengemeenschap het beleid rond kleuterparticipatie vorm geven (Zorg+): 78 voltijdse eenheden
– pedagogische begeleiders voor de ondersteuning van scholen in kansarme buurten: 25 voltijdse eenheden. In totaal gaat het dus al om 417 voltijdse extra voltijdse krachten. In de praktijk zijn deze extra krachten uiteraard verdeeld over de basisscholen en gaat het dus vaak over mensen die enkele uren extra opnemen of een deeltijdse opdracht uitvoeren.


Bron: http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2008/0211-JvdK.htm  

 

 

Persmededeling Kabinet Vlaams minister van Onderwijs en Vorming
1 februari 2008 

 

De Vlaamse Regering heeft vandaag het voorontwerp van decreet over de financiering van het leerplichtonderwijs principieel goedgekeurd. Het wordt voor advies voorgelegd aan de VlOR en de SERV. Die nieuwe financiering stapt af van het onderscheid tussen onderwijsnetten. Voortaan worden scholen voor een deel gefinancierd op basis van de kenmerken van leerlingen. Minister VANDENBROUCKE is tevreden dat de regering instemt met zijn voorstel. “Gelijke kansen worden de motor van de financiering van de scholen”, zo stelt hij. De verdeling van de werkingsmiddelen is al heel lang voorwerp van discussie. Vandaag is het net waartoe een school behoort doorslaggevend bij deze verdeling, er wordt per leerling een verhouding 100/76 aangehouden tussen het GO! en de andere netten. De kenmerken van een leerling spelen geen rol. Nochtans moet een school met bv. veel anderstalige leerlingen meer investeren dan gemiddeld om succes te boeken.
Om die reden wordt de financiering nu hervormd: de lat wordt gelijk gelegd tussen de netten en de leerlingenkenmerken worden mee bepalend voor de verdeling. Op basis van wetenschappelijk onderzoek is besloten dat 4 kenmerken goed voorspellen welke leerlingen gemiddeld minder kans op succes hebben, dus voor welke leerlingen scholen extra inspanningen moeten leveren:
·    kinderen van lageropgeleide ouders
·    kinderen die thuis geen Nederlands spreken
·    kinderen uit gezinnen met een laag inkomen
·    kinderen die in een kansarme buurt wonen.
Van het totale budget werkingsmiddelen worden twee voorafnames voor objectieve verschillen gedaan:
·    officiële scholen zijn wettelijk verplicht meerdere levensbeschouwelijke vakken aan te bieden, en krijgen per leerling 4,5% extra om de kost van die vakken te dekken. Aangezien kleuters geen levensbeschouwelijke vakken krijgen, geldt dat niet voor het kleuteronderwijs
·    omdat het de vrije schoolkeuze moet garanderen, krijgt het GO! per leerling 3% werkingsmiddelen extra om de kost daarvan te dekken. Vervolgens wordt een deelbudget vastgesteld om te verdelen volgens de leerlingenkenmerken:
·    in het basisonderwijs wordt volgend schooljaar 14% van de werkingsmiddelen verdeeld, louter op basis van leerlingenkenmerken. Dat percentage loopt tegen 2017 op tot 15,5%. Elke indicator weegt bij de verdeling even zwaar;
·    in het secundair onderwijs bedraagt dit aandeel volgend schooljaar 10% en het stijgt tegen 2017 naar 11%. De indicator “buurt” zal slechts één tiende uitmaken van de 10% (leerlingen in secundair onderwijs verplaatsen zich gemakkelijker), de rest van het bedrag (9% in 2008-2009, 10% in 2017-2018) wordt gelijk over de drie resterende indicatoren verdeeld. Deze middelen worden als één pakket toegekend per school, het gaat dus niet om een rugzakje dat per individuele leerling aangewend moet worden. Het beschikbare bedrag voor elk van de leerlingenkenmerken wordt verdeeld over de scholen a rato van het aantal leerlingen dat op de betreffende indicator ‘aantikt’. Dat bedrag is niet te beschouwen als een rugzakje voor deze individuele leerling noch als het bedrag dat deze individuele leerling nodig heeft. Een ‘aantikkende’ leerling staat voor een ruimere groep leerlingen die met een bepaalde problematiek wordt geconfronteerd. Afhankelijk van de operationele definitie kan het aantal leerlingen dat aantikt immers variëren. Wat essentieel is, is het bedrag dat de school aan werkingsmiddelen genereert. Het budget dat per leerlingenindicator op schoolniveau ontstaat moet aan het profiel van de school beantwoorden. Het gros van de middelen (basisfinanciering) wordt lineair verdeeld volgens bepaalde schoolkenmerken. Deze “basisfinanciering” vertrekt van een bepaald aantal punten per onderwijsniveau, studiegebied en onderwijsvorm (bv. lager onderwijs weegt zwaarder dan kleuteronderwijs, tso weegt zwaarder dan aso, want in tso zijn er meer kosten voor basisuitrusting). Door het budget na de voorafnames voor objectieve verschillen en het deelbudget voor leerlingenindicatoren te delen door het totaal aantal punten, ontstaat een basisgeldwaarde per punt. Wat een school in het financieringssysteem genereert is de som van de basisfinanciering, eventuele extra financiering voor vrije keuze of levensbeschouwelijke vakken en de som van wat haar leerlingen genereren aan extra’s gezien hun specifieke leerlingenkenmerken. De basisgeldwaarde per punt blijft constant. Minister Vandenbroucke is tevreden over het bereikte akkoord: “Gelijke kansen worden de motor van de financiering van de scholen. Samen met de nieuwe financiering voor het hoger onderwijs kunnen we zo de eerste proef van de tienkamp voor gelijke kansen rondmaken. Maar tegelijk wil ik benadrukken dat er nog negen andere proeven zijn: centen zijn een (belangrijke) voorwaarde, maar de aanpak in de scholen telt uiteindelijk. Meer middelen op basis van een sociaal profiel moet vooral een signaal zijn om aan de slag te gaan voor gelijke kansen.

bronhttp://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2008p/0201-financiering.htm   

 

Nieuwkomertjes belanden in overvolle kleuterklasjes
Veel kleuterscholen krijgen er vandaag een pak nieuwkomertjes bij. De kans is groot dat de 2,5-jarigen terechtkomen in overvolle instapklasjes. ‘Het probleem van de overbevolkte kleuterklassen krijgt maar geen structurele oplossing’, zegt Guido Sauwens van de Werkgroep Kleuterscholen Vlaanderen. Het probleem van de overvolle kleuterklassen stelt zich traditioneel het scherpst in de maanden tussen Nieuwjaar en Pasen. Er komen kindjes bij, maar het duurt vaak tot Pasen, wanneer het warmere weer nog meer peutertjes naar school lokt, voor er cijfermatig genoeg extra kleuters zijn om een klas eventueel te splitsen.
In de school van Guido Sauwens, ’t Walnootje in Bilzen, groeit de instapklas vandaag van 22 naar 30 kleuters. Tweeëneenhalfjarigen die de eerste stapjes van hun lange schoolloopbaan in weinig comfortabele omstandigheden afleggen. ‘Klassen van dertig kleuters en meer zijn geen uitzondering’, zegt Sauwens. ‘De nieuwe leerlingen geven ons wel recht op vier tot vijf extra uren, maar dat is geen oplossing voor een klas met dertig kinderen. Zo krijg je het klassieke probleem van de kleuterjuffen die de dagen vullen met sjaals en handschoenen aantrekken, toiletbezoek en hulp bij het eten. Er blijft weinig tijd over om echt met de kindjes bezig te zijn.’Scholen nemen vaak hun toevlucht tot zelfbedachte oplossingen zoals het doorschuiven van de oudste kinderen of het verdelen van de nieuwkomertjes over verschillende klassen. Maar ook deze oplossingen zijn niet ideaal, omdat de kleintjes nog erg veel zorg nodig hebben of driejarigen na enkele maanden al moeten doorschuiven naar een nieuwe juf.Een structurele oplossing zit er niet meteen aan te komen. Minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke heeft dit jaar wel extra inspanningen gedaan door het budget voor extra uren op te trekken van 5 naar 15 miljoen euro en door de extra uren sneller beschikbaar te stellen van de scholen. Vroeger kreeg een school pas extra uren wanneer er tenminste elf extra leerlingen kwamen; vandaag volstaan twee nieuwe leerlingen al om een extra uur aan te snijden. Maar volgens de Werkgroep Kleuterscholen volstaan die extra uren niet om de druk op de instapklasjes weg te nemen. Sauwens: ‘De minister heeft dit schooljaar uitgeroepen tot het Jaar van de Kleuter. De kleuterjuffen merken bitter weinig van zijn beloofde maatregelen. Wij pleiten voor een duidelijke en eenvoudige maatregel door klassen vanaf 26 kindjes systematisch op te splitsen. Met een proefproject zou men de haalbaarheid kunnen nagaan.’Maar zo’n scenario ligt voorlopig niet op tafel. ‘Klasjes van dertien leerlingen zullen hoe dan ook een grote extra inspanning vragen’, zegt Ward Verhaeghe, woordvoerder van minister Vandenbroucke. ‘Met wat we dit jaar al gerealiseerd hebben, krijgen scholen een pak meer ademruimte. Met de normen zoals ze nu gesteld zijn is een goede omkadering mogelijk. Elke school kent best de eigen noden en verdeelt de uren op basis daarvan. En vergeet niet dat voor scholen met veel kansarme leerlingen recent nog meer inspanningen zijn gedaan.’Volgens Mieke Van Hecke, directeur-generaal van het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs, doen scholen hun uiterste best om met de uren waarover ze beschikken de best mogelijke opvang te voorzien. ‘Ze trekken hun plan, maar het blijft voor veel scholen een moeilijke evenwichtsoefening. Het kleuteronderwijs kan hoe dan ook extra middelen gebruiken. Een kleuter telt nog altijd voor veel minder centen dan een leerling uit de lagere school. Vooral voor autonome kleuterscholen, die niet aan een basisschool verbonden zijn, kan het zeer moeilijk zijn.’ 
Annelies Rutten

 http://www.nieuwsblad.be/Article/Detail.aspx?articleID=5T1M873L 

Een op drie gemeenten wil project “Duurzaam naar school” opstarten

Persmededeling Kabinet Vlaams minister van Onderwijs en Vorming
17 december 2007
Gemeenten die kinderen aanzetten om meer te voet (stappen) of met de fiets (trappen) naar school te gaan, kunnen vanaf volgend schooljaar op projectsubsidies rekenen. Ook netoverschrijdend leerlingenvervoer zal gesubsidieerd worden, maar pas als de betrokken gemeente één jaar gewerkt heeft rond stappen en trappen. Vertegenwoordigers van een honderdtal gemeenten woonden vandaag in Leuven een infodag over het project “Duurzaam naar school” van minister van Onderwijs Vandenbroucke en minister van Mobiliteit Van Brempt bij. Met die nieuwe aanpak willen beide ministers leerlingen uit het basisonderwijs op een meer gezonde en dus duurzame manier naar school laten gaan. Volgend schooljaar is 2,4 miljoen beschikbaar voor de ondersteuning, in 2009-2010 loopt dit op tot 9,6 miljoen. Tweederde van dit bedrag gaat naar een basisluik en éénderde naar een optioneel luik voor netoverstijgend leerlingenvervoer. Het nieuwe systeem voorziet subsidies in twee luiken voor gemeenten die acties opzetten om “duurzaam naar school” te gaan. De gemeente tekent eerst in voor een basisluik. Gemeenten kunnen een selectie maken uit een lijst met concrete initiatieven. Die initiatieven zijn ondergebracht in drie categorieën: informatie en sensibilisatie, educatie en organisatie. Uit elke categorie moet minstens één actie worden gekozen. Per initiatief is er een richtbedrag vastgelegd. Zo kunnen gemeenten bijvoorbeeld een vrijwilligersnetwerk voor voetgangersrijen of een fietspool uitbouwen. De gemeente ontvangt op basis van haar leerlingenaantallen een maximaal subsidiebedrag van de Vlaamse overheid voor het basisluik van “Duurzaam naar school”. Zelf wordt de gemeente niet verplicht om extra financiële middelen te investeren. Volgend schooljaar zal naar schatting een 50-tal gemeenten kunnen instappen in dit basisluik. In 2009-2010 zullen twee op de drie gemeenten kunnen meedoen. Een optioneel luik voorziet in subsidies voor de organisatie van leerlingenvervoer. De kosten worden gedeeld tussen gemeente en Vlaamse overheid en een bijdrage van de ouders (beperkt tot maximaal het tarief van een buzzy pas). De Vlaamse overheid komt maximaal voor 320 euro tussen per leerling die buiten de afgebakende stap- en trapzone woont. Een dergelijke projectaanvraag kan pas nadat een gemeente een jaar lang een project in het basisluik heeft en dit project ook verder zet. Enige uitzondering zijn de negen pilootprojecten “netoverschrijdend leerlingenvervoer” die onmiddellijk kunnen instappen in het tweede deel.
Het concept “duurzaam naar school” vervangt de vroegere projecten “netoverschrijdend leerlingenvervoer” voor het gewoon basisonderwijs. In deze proefprojecten introduceerde men het STOP-principe dat voorrang geeft aan Stappen en Trappen, boven de Organisatie van leerlingenvervoer of Privé-vervoer. De nadruk van de projecten lag vooral op investeringen in busvervoer. Daardoor bleef het effect op stappers en trappers eerder beperkt. Daarom beslisten de ministers Vandenbroucke en Van Brempt om te kiezen voor een breder concept waarin er meer aandacht is voor te voet gaan en fietsen. Gemeenten die willen meewerken aan deze duurzame mobiliteitsaanpak hebben tot half februari de tijd om projecten in te dienen. Het ingediende actieplan moet zowel initiatieven bevatten rond informatie en sensibilisatie, rond educatie en rond organisatie van een begeleide rij, voetpool of fietspool. Een uitgewerkt sjabloon met een concrete beschrijving van mogelijke acties zal de planlast voor de gemeenten tot een minimum beperken. Goedgekeurde projecten kunnen starten in het schooljaar 2008-2009 en na gunstige evaluatie verder gezet worden tijdens het schooljaar 2009-2010. Hiervoor wordt respectievelijk 2,4 miljoen euro en 9,6 miljoen euro uitgetrokken. Op termijn zullen alle Vlaamse gemeenten kunnen instappen in dit project. Frank Vandenbroucke ziet het project als een belangrijk hoofdstuk bij zijn gezondheidsbeleid om en rond scholen: “Met dit project willen we ouders en kinderen bewust maken dat met de auto of de bus naar school gaan niet steeds de beste keuze is. Te voet of met de fiets gaan, zijn alternatieven die echt het overwegen waard zijn. Onze gezondheid en de gezondheid van iedereen varen er wel bij.” Voor Kathleen Van Brempt (wegens moederschapsrust afwezig en vervangen door Frank Vandenbroucke) gaat het om een cruciaal luik in haar mobiliteitsbeleid. Met deze investeringen wil zij naar een betere modal split van het woon-schoolverkeer. Hoe meer mensen er in een schoolomgeving te voet gaan en fietsen, hoe veiliger en hoe leefbaarder die schoolomgeving wordt. Bovendien zijn we bezig met de weggebruikers van de toekomst. Het is dus zeer belangrijk om die zo vroeg mogelijk te overtuigen van duurzame vervoermiddelen. Ter info:
Uit een onderzoek dat in 2005 door het kabinet Onderwijs werd verricht en waar 88% van alle basisscholen hun medewerking aan hebben verleend, toont aan dat er nog heel wat stap- en trapinitiatieven mogelijk zijn. 53% van de scholen organiseren een rij en 9% van de scholen organiseren fietspooling.

http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2007p/1217-duurzaam.htm

Jonge kinderen ontdekken de weg naar wetenschappen en technologie

Persmededeling Kabinet Vlaams minister van Onderwijs en Vorming
14 december 2007
Dit schooljaar bezochten al 7000 kleuters en lagere schoolkinderen met de klas het nieuwe Kinder-doe-centrum van Technopolis te Mechelen. Sinds de opening midden juni vinden ook steeds meer jonge kinderen (4 tot 8 jaar) met hun ouders de weg naar Technopolis. Vandaag gebeurde dat in het gezelschap van Minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke en de Mechelse schepen van Onderwijs Caroline Gennez. De aantrekkelijke interactieve opstellingen van het Kinder-doe-centrum laten kinderen ontdekken dat wetenschappen en technologie best leuk zijn en overal om hen heen aanwezig zijn. Dat leerplezier is belangrijk in het licht van het recente rapport PISA 2006 over onze leerprestaties. Daaruit blijkt dat Vlaamse leerlingen goed scoren voor wetenschappen, maar minder zelfvertrouwen en minder motivatie hebben dan in een gemiddeld OESO-land. Technopolis werkt vanuit het principe “Ik hoor en ik vergeet. Ik zie en ik onthoud. Ik doe en ik begrijp.” Ook voor de ontwikkeling van het Kinder-doe-centrum vertrok men vanuit dit principe, vertaald op kindermaat. Interactieve opstellingen werden ontwikkeld en aangepast aan de leefwereld van 4- tot 8-jarigen. In het levensechte decor van de stad, het park, de bouwwerf en mijn lichaam voelen zowel kinderen, ouders als leerkrachten zich snel thuis. De kinderen kunnen er o.a. de handen uit de mouwen steken als dakdekker, de motor van hun auto testen in de garage, dierensporen volgen en ontdekken waar de dieren wonen of op een levensgrote puzzel het menselijke lichaam “tot op het bot” ontdekken. Met het Kinder-doe-centrum bereikt Technopolis nu ook de -8-jarigen onder het motto “jong geleerd is oud gedaan”. Technopolis nodigt jaarlijks ook leraren uit op een lerarendag voor het vak Technologische Opvoeding. Daarnaast is het TOS21-project (Technologie op school in de eenentwintigste eeuw) aan zijn laatste werkjaar begonnen. Projectmedewerkers werken een leerlijn uit voor technologie van in de kleuterklas tot aan het einde van het leerplichtonderwijs. Het project legt zich eveneens toe op de verspreiding van wetenschapsinformatie binnen de onderwijswereld. Voor beide doelen is er een vanzelfsprekend raakvlak met Technopolis en is verruimde samenwerking mogelijk. Het aanschouwelijk maken van wetenschappen en technologie vanaf de kleuterklas vindt minister van Onderwijs Vandenbroucke een goede zaak. Het recente rapport van PISA 2006 bracht aan het licht dat Vlaanderen goed scoort voor wetenschappen en dat jongeren er ook wel een positieve houding tegenover hebben maar dat het zelfvertrouwen van Vlaamse jongens en meisjes bij het leren van wetenschappen lager is dan in een gemiddeld OESO-land. Hetzelfde geldt voor de motivatie om wetenschappen te leren. Vandenbroucke: “Het is belangrijk om kinderen vanaf jonge leeftijd te stimuleren en te interesseren voor wetenschappen en technologie. Het verhoogt later het leerplezier en geeft kinderen de kans hun talenten voor wetenschappen en technologie te ontdekken en kansen te geven.” Gennez: “Kinderen moeten al vrij vroeg knopen doorhakken qua studiekeuze. Daarom is het van belang dat leerlingen en ouders al vroeg de mogelijkheden van de arbeidsmarkt leren kennen, zodat ze een sterk arbeidsgerichte keuze kunnen maken. Nu kiezen zowel jongens als meisjes vaak nog voor stereotiepe beroepen zonder veel arbeidsperspectieven. Als ze al op jonge leeftijd in contact komen met bv. technologie kan deze stereotypering in positieve zin omgebogen worden.”
http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2007p/1214-technopolis.htm    

 

Bijkomende kleine kleuters geven dit schooljaar al recht op drie keer meer extra lestijden

Persmededeling Kabinet Vlaams minister van Onderwijs en Vorming
21 november 2007
Dit schooljaar kregen al 279 kleuterscholen extra lestijden toegekend omdat nieuwe, kleine kleutertjes zich in de school ingeschreven hebben. Dat zijn er heel wat meer dan vorig schooljaar op hetzelfde ogenblik. Het totale aantal extra lestijden voor de zgn. “instapklasjes” verdrievoudigt van 636 naar 1864. De stijging is zichtbaar in alle netten. Dit is het gevolg van de nieuwe, soepelere berekeningswijze die minister van Onderwijs Vandenbroucke begin dit schooljaar invoerde. De minister maakte deze cijfers bekend op een studiedag over kinderopvang in het GO! Hij gaf er een stand van zaken van de verschillende acties rond kleuterparticipatie.
Het schooljaar 2007-2008 staat in het teken van het kleuteronderwijs. Vroege en regelmatige deelname aan het kleuteronderwijs is immers heel belangrijk voor de slaagkansen van een kind in de verdere schoolloopbaan en dus in het leven. De aandacht voor kleuteronderwijs is dan ook niet toevallig één van de tien disciplines in de tienkamp van de minister voor gelijke onderwijskansen. Vandenbroucke trekt hiervoor extra financiële middelen uit. Dat moet kleuterscholen (nog) beter laten worden en hen in staat stellen om een grotere aanwezigheid van kleuters op te vangen.In september werden al meer lestijden ingericht in de kleuterscholen. De nieuwe berekening zorgde toen al voor een stijging van 338 naar 747 extra lestijden. Na de herfstvakantie – het tweede instapmoment voor 2,5-jarigen – zet de groei zich in een sneller tempo door. Gerekend vanaf het begin van het schooljaar worden er nu al 1228 extra lestijden meer ingericht dan in dezelfde periode vorig schooljaar. De beslissing om het vroegere, grillige drempelsysteem te vervangen door een heldere, lineaire berekening begint dus haar vruchten af te werpen.
Sommige scholen hebben veel kinderen waarmee ze grote hinderpalen op de weg naar schools succes moeten overwinnen, omwille van sociale problemen, een andere thuistaal… (zgn. GOK-leerlingen, waarvoor men GOK-uren krijgt). Deze scholen hebben dit jaar extra GOK-uren gekregen (in totaal gaat het om 157 voltijdse jobs). Binnenkort start er intensieve begeleiding voor kleuterjuffen met veel anderstalige kleuters in de klas. En sinds het begin van dit schooljaar heeft elke scholengemeenschap een zgn. “zorg+”-medewerker aangeworven. Deze extra medewerker kan voor de scholengemeenschap het beleid rond kleuterparticipatie uittekenen, in samenwerking met de directies, kleuterjuffen, het lokaal overlegplatform (LOP), de regioverpleegkundigen van Kind en Gezin, … Zo zou een brugfiguur bv. ouders van ingeschreven kleuters die heel onregelmatig schoollopen, kunnen aanspreken en proberen de ouders te overtuigen kun kleuter vaker naar de kleuterklas te laten komen.
Om deze nieuwe medewerkers te ondersteunen in hun opdracht, organiseert het Vlaams Ministerie van Onderwijs op 11 december a.s. een studiedag te Leuven. De “zorg+”-medewerkers zullen er kennis maken met voorbeelden van goede praktijken. Een panel van deskundigen plaatst deze getuigenissen in een breder kader, zodat ze inspireren tot acties in de eigen scholengemeenschap.

 www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2007p/1121-instapklasjes.htm

 

 

Advertenties

Een gedachte over “Actualiteit in de (kleuter)onderwijswereld

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s